Showing 1-20 of 286 items.

A. L. M.

Dit is het boek, waaromtrent geen twijfel bestaat; de richtsnoer van de godvreezenden,

Van hen, die de mysteriën gelooven, het gebed nauwlettend doen, en weldaden verspreiden van de bezittingen, die wij hun verleenen.

Van hen, die aan openbaringen gelooven, u van boven gezonden en voor u gezonden; van hen die aan het volgend leven gelooven.

Zij alleen zullen door hunnen Heer worden geleid; zij alleen zullen welzalig zijn.

Den boozen is het gelijk, of gij hun de waarheid verkondigt of niet.

God heeft hunne harten en ooren verzegeld, hunne oogen geblinddoekt en eene verschrikkelijke straf wacht hen.

Er zijn menschen, die zeggen:"Wij gelooven aan God en aan het jongste gericht," en toch behooren zij niet tot het getal der geloovigen.

Zij trachten God en de geloovigen te misleiden; maar zij zullen slechts zich zelven misleiden, en begrijpen het niet.

Eene ziekte zetelt in hunne harten, en God zal die slechts doen toenemen; eene pijnlijke straf blijft hun bewaard; want zij hebben de profeten voor leugenaars gehouden.

Als men hun zegt:"Verleidt de wereld toch niet" dan antwoorden zij:"Verre van daar, wij zijn rechtschapen lieden."

Helaas! zij misleiden de wereld, maar zij begrijpen het niet.

Zegt men hun:"Gelooft toch, gelijk zoo veel anderen gelooven," dan antwoorden zij:"Zullen wij gelooven als de zotten?" Helaas! zij zelven zijn zotten, maar zij gevoelen het niet.

Ontmoeten zij geloovigen, dan zeggen zij:"Wij gelooven ook,"" maar zoodra zij weder bij hunne verleiders zijn, zeggen zij:"Wij houden het met u, en deze bespotten wij slechts."

Maar God zal met hen spotten: Hij zal hen langen tijd in hunne dwaling laten, onzeker heen en weder geslingerd.

Zij zijn het, die de dwaling voor de munt der waarheid gekocht hebben; maar hun handel heeft hun geen winst opgebracht; want zij zijn van den rechten weg afgedwaald.

Zij gelijken op hem, die een vuur ontsteekt en dat, wanneer het zijn licht op de omringende voorwerpen heeft geworpen, door God wordt uitgebluscht, hen in de duisternis latende opdat zij niet kunnen zien.

Doof, stom en blind zijn zij en kunnen daarom op den afgelegden weg niet terugkeeren.

Of zij zijn gelijk aan hen, die, wanneer een van regen zwangere wolk met donder en weêrlicht van den hemel nederdaalt, voor het gerol van den donder en omdat zij den dood vreezen, hunne ooren met hunne vingers dichtstoppen, terwijl God de ongeloovigen aan alle zijden aangrijpt.

Weinig is er slechts noodig, opdat de bliksem hun het gezicht ontroove; als de bliksem alles om hen heen verlicht, wandelen zij in zijn licht; wordt het weder duister om hen heen, dan staan zij onbewegelijk. Als God slechts wilde, zou Hij hen van het gezicht en gehoor berooven; want Hij is Almachtig.